Wetterskip Fryslân
Veenpolder van Echten, (1832) 1855-1969
Grondgebied en werken
Historisch overzicht
Archief en inventarisatie
Noten
Inventaris
INLEIDING
Grondgebied en werken
De veenpolder was gelegen in de gemeente Lemsterland en had ten tijde van de oprichting een omvang van ongeveer 2091 ha. In 1870 werd het grondgebied uitgebreid tot ca. 2376 ha. In 1954 volgde een verdere uitbreiding tot ca. 2882 ha. De volgende werken waren bij de veenpolder in onderhoud:
- aanvankelijk sprak het reglement van de "ringdijk", sinds 1954 werd gesproken van de dijken met oeverbescherming langs het Tjeukemeer, de Pier Christiaansloot en de Tjonger;
- (sinds 1954) de in het waterschap Oosterzee gelegen dijk met oeverbescherming langs het Tjeukemeer, de Lemsterrijn en de Dijksvaart;
- aanvankelijk een drietal schutsluizen (in de Westelijke- of Gieterse Vaart, de Middenvaart en de Oostelijke Vaart); in 1950 verviel de schutsluis in de Middenvaart en in 1958 werden ook de resterende sluizen uit het reglement geschrapt;
- een aantal kanalen en vaarten, sinds 1941 als volgt gespecificeerd: de Westelijke Vaart, de Kampervaart, de Otterswegvaart (tot 1969), de Middenvaart, de Kooisloot (tot 1969), de Bandsloot (tot 1969), de Oostelijke Vaart, de Heksloot, de ringvaarten en de ondergrondskanalen. In 1954 kwamen daarbij de Dijksvaart (deels) en de hoofdtoevoersloot naar de ringvaart in de Kampen. Sinds 1969 hoefden deze watergangen alleen nog maar als waterlossing worden onderhouden;
- de bemalingswerktuigen met bijbehoren;
- (sinds 1941, tot 1958) een aantal bruggen;
- (sinds 1954) de op de voormalige oostelijke dijk gelegen grindweg;
- nader door het bestuur aan te wijzen werken.
In beheer had de veenpolder de bovenstaande werken en alle andere watergangen enz. in het gebied, voorzover deze in het belang van de polder waren.
Terug
Historisch overzicht
Begin 19e eeuw werden er in Friesland maatregelen genomen om de ongewenste gevolgen van de vervening van laagveengebieden, nl. landverlies en verarming van de bevolking, tegen te gaan. Sinds 1819 was voor vervening van laagveen een door de Koning te verstrekken vergunning vereist. In 1822 werden er nadere regels vastgesteld voor deze vergunningverlening. Bepaald werd dat ook voor bestaande verveningen alsnog een vergunning moest worden aangevraagd. Na vervening zouden de uitgeveende gronden drooggelegd moeten worden. Om te voorzien in de kosten hiervan en om de door vervening ontstane armoede te bestrijden, dienden de verveners een belasting op de te vervenen turf op te brengen, de zogenaamde "slik- en armengelden". De Friese verveners waren bepaald niet blij met deze regeling, die naar zij stelden, de winstgevendheid van hun bedrijven te sterk zou aantasten. Zij kregen daarbij steun van het Friese provinciaal bestuur. Daarop stuurde de koning in 1823 jhr. De la Coste naar Friesland, om nadere regels ten aanzien van de verveningen te ontwerpen, daarbij zoveel mogelijk rekening houdend met plaatselijke omstandigheden. De la Coste verdeelde de grietenijen waar geveend werd in vier klassen en maakte voor elke klasse een afzonderlijk reglement ter regulering van de vervening. De grietenij Lemsterland werd ingedeeld in de eerste klasse1. De bestaande verveningen in dit gebied mochten "provisioneel" op de oude voet doorgaan. Op termijn moest er bepolderd worden. Sinds 1823 werden de slik- en armengelden geheven. De administratie van een en ander gebeurde door de grietenij. De verveners in het gebied van de latere veenpolder kozen - het is niet precies bekend wanneer - een voorlopig polderbestuur dat een bepolderingsplan ontwierp. Eind jaren veertig had men dit gereed. Men sprak toen nog van de "Veenpolder van Lemsterland".
In 1854 werd, in navolging van het uit 1852 daterende provinciale reglement op de lage verveningen, een "veenkring" voor het gebied vastgesteld. De grenzen van het poldergebied stonden nu vast. Nog in hetzelfde jaar stelden de provinciale staten een reglement vast voor de polder. In 1855 werd dit reglement door de Kroon goedgekeurd en was de oprichting van de "Veenpolder van Echten" een feit2.
Het polderbestuur kwam te bestaan uit een door gedeputeerde staten te benoemen voorzitter en een viertal andere personen, gekozen door de ingelanden. Anders dan de boezemwaterschappen, kenden de veenpolders geen colleges van ingelanden c.q. volmachten. Dat betekende allerminst dat een veenpolderbestuur zijn eigen gang kon gaan. Voor vele bestuurshandelingen moest namelijk vooraf toestemming worden gevraagd aan gedeputeerde staten.
In 1856 werd begonnen met de uitvoering van de bepolderingswerken. Rondom de polder werden dijken gelegd. De nodige watergangen werden gegraven. In de hoofdvaar-wegen werd een drietal houten schutsluizen gelegd: een in de Oostelijke- ofwel Klijnsma's Vaart, een in de Midden- ofwel Sleeswijksvaart en een in de Westelijke- ofwel Gieterse Vaart. Aan het Tjeukemeer werd een stoomgemaal gebouwd. Als adviseur bij de bouw trad op civiel ingenieur jhr. W.J. Backer te Amsterdam. Aanvankelijk was het de bedoeling de gehele polder in een keer droog te maken. Backer stelde voor om twee gemalen te stichten, een bij de Middenvaart aan het Tjeukemeer en een bij de Kooisloot in het diepste gedeelte van de polder. In 1858 kwam het bestuur hierop terug. De droogmaking zou in gedeelten moeten geschieden, omdat algehele ontwatering niet in het belang van de veenderijen was. Besloten werd het te bouwen stoomvijzelgemaal eerst zo in te richten dat het aan de bestaande eisen zou kunnen voldoen, en later, als de droogmaking een feit zou zijn, het gemaal aan te passen. Met het oog op de toekomstige situatie werd daarom alvast een tweede stoomketel aangeschaft. Met de bouw van het stoomgemaal werd in 1859 begonnen. Het "stoomvijzelwerktuig" werd geleverd door Harmens en Penning te Harlingen. In 1861 werd het nieuwe gemaal in gebruik genomen.
Al in 1863 besloot het polderbestuur tot algehele droogmaking. Men wou het poldergebied daartoe in een aantal afzonderlijke kavels verdelen. Het stoomgemaal zou de ondergronden moeten gaan bemalen. Daarnaast zouden er windmolens aan het Tjeukemeer geplaatst worden ter bemaling van hoofdzakelijk de niet verveende gebieden. In 1864 werd het plan voor de droogmaking goedgekeurd door de provincie. Het voorzag in een droogmaking van de gehele polder in een tijdsbestek van ongeveer 10 jaar. De uitvoering van de plannen werd echter op de lange baan geschoven, omdat er een geschil ontstond met de provincie over de invoering van maalgeld. De veenpolder wilde maalgeld gaan heffen van het te bemalen gebied. Het provinciaal bestuur stelde daarentegen dat de droogmaking betaald moest worden uit het slikgeld. Een maalgeldheffing kon ingevoerd worden, maar mocht alleen geheven worden van niet verveende gebieden of van gebieden die zonder betaling van slikgeld waren verveend. Het polderbestuur besloot daarom de droogmaking op de lange baan te schuiven, totdat de polder weer over voldoende middelen zou beschikken om een en ander uit te voeren, of totdat het provinciaal bestuur van haar "kapitale dwaling" zou zijn teruggekomen. Wel besloot het polderbestuur de ingelanden te stimuleren tot het stichten van particuliere droogmakingen. Het grote aantal aanvragen voor particuliere droogmakingen in de jaren na 1862, wijst erop dat dit niet aan dovemansoren was gezegd. Overigens besloot het polderbestuur in 1870 alsnog tot de invoering van een maalgeld, nu wel volgens het door de provincie voorgeschreven stramien.
In 1863 werden met het oog op het droogmakingsplan, alvast twee windwatermolens overgenomen, staande aan de Gieterse Vaart en aan de Middenvaart. Ze werden verplaatst naar het Tjeukemeer ten oosten van de Gieterse vaart en bij de Oostelijke vaart aan de Pier Christiaansloot. De vele droogmakingen maakten al snel extra bemalingscapaciteit noodzakelijk. In 1871 werd ten westen van de Gieterse Vaart een nieuwe molen gebouwd en in 1873 verrees ook aan de Kooisloot een molen.
Enkele jaren later, in 1876, vond het polderbestuur dat de tijd gekomen was om alsnog tot algehele droogmaking van de polder over te gaan. In 1878 werd het plan daartoe goedgekeurd door gedeputeerde staten en begon men met de uitvoering van de werken. Men volgde het oorspronkelijke plan, dat een kavelsgewijze droogmaking inhield. De verschillende kavels werden door kavelstroken van de hoofd- en dwarsvaarten gescheiden. Men streefde ernaar om alle kavels zoveel mogelijk tegelijk droog te maken. In verband met de droogmaking werd het stoomgemaal in 1877 voorzien van een geheel nieuwe machine en van een "dieptastende" vijzel. In 1866 had men al de bestaande slechte stoomketels vervangen door één nieuwe.
In het gebied stonden toentertijd 14 molens die voor overname in aanmerking kwamen. Het polderbestuur was niet erg genegen tot overname van deze molens, maar wou anderzijds ook niet overgaan tot het stichten van b.v. een tweede stoomgemaal om de taak van de bestaande molens over te nemen. In 1879 besloot men toch tot overname van één van de bestaande molens, de zogenaamde "Kampermolen", staande aan de Kampervaart. Daarnaast werd een nieuwe molen gesticht aan de oostkant van de Gieterse vaart. In 1880 kwam er nog een molen bij, die men had overgenomen van de Wassenaarse polder in Zuid-Holland. Deze werd geplaatst bij de Middenvaart. Vier van de in totaal zeven molens werden gebruikt voor de bemaling van de algemene polderboezem (de twee ter weerszijden van de Gieterse Vaart aan het Tjeukemeer, de molen aan de Pier Christiaansloot bij de Oostelijke Vaart en de molen bij de Kooisloot). De resterende drie molens en het stoomgemaal dienden voor de bemaling van de ondergronden.
Om de financiën van de polder na de uitvoering van de droogmaking weer gezond te maken werd in de jaren tachtig een nieuwe heffing ingevoerd, de "algemene polderlast". Na verloop van tijd was er weer ruimte voor de uitvoering van nieuwe werken. De veenpolder besloot eind negentiger jaren iets te gaan doen aan de ontsluiting van het poldergebied. In 1899 werd begonnen met het aanleggen van wegen. Na aanleg kwamen deze in onderhoud bij de gemeente Lemsterland.
Begin 20e eeuw wogen de inkomsten steeds minder op tegen de uitgaven. De bestaande bemaling was inefficiënt. Het stoomgemaal was duur in onderhoud en had te weinig vermogen. Toen in 1911 een van de vier molens die de algemene polderboezem bemaalden, afbrandde en een andere molen in een toestand van algeheel verval bleek te verkeren, besloot men tot een reorganisatie van de bemaling. De plannen daartoe werden opgesteld door polderopzichter E. Lourens. Aanvankelijk wou deze het stoomgemaal en de windmolens vervangen door een tweetal dieselgemalen. Later kwam hij met een nieuw plan, dat voorzag in de stichting van een nieuw stoomgemaal. Dit nieuwe gemaal zou zoveel vermogen krijgen dat de windwatermolens buiten gebruik zouden kunnen worden gesteld. Het polderbestuur koos voor het tweede plan. In de jaren 1913-1915 werd het reorganisatieplan verwezenlijkt: alle molens en het oude stoomgemaal werden afgebroken en, ongeveer op de plaats van het oude, werd een nieuw stoomgemaal gebouwd. A. Mulder te 't Meer was de aannemer van het bemalingsgebouw, terwijl de bemalingsinstallatie, waaronder de toentertijd grootste centrifugaalpomp van Friesland, werd geleverd door de Gebr. Stork & Co. te Hengelo. In 1913 werd het nieuwe gemaal in gebruik genomen. In 1925 werd het gemaal geëlektrificeerd.
In 1954 werd het grondgebied van de veenpolder uitgebreid met een gebied, dat voorheen had behoord tot het in bovengenoemd jaar opgeheven waterschap De Kampen. Dit betekende een toename van het grondgebied van ca. 2376 tot ca. 2882 ha. Een aanpassing van de bemaling werd hierdoor noodzakelijk. Men stichtte in 1950 een tweede gemaal naast het bestaande. Het diende ter bemaling van de bovengronden. Moest het water van de onverveende gronden voorheen eerst afvloeien op de ondergrondskanalen, nu kon dit water rechtstreeks door het nieuwe gemaal worden uitgeslagen op het Tjeukemeer. De bedijking van de veenpolder kwam er nu ook anders uit te zien. Langs de Tjonger werd de oostelijke polderdijk doorgetrokken. Een deel van de westelijke polderdijk verviel. De functie ervan werd overgenomen door de polderdijk van het naburig waterschap Oosterzee, die in onderhoud kwam bij de veenpolder.
De vaarwegen hadden inmiddels hun betekenis geheel verloren: sinds 1969 hoefden ze ook niet meer als vaart te worden onderhouden. De schutsluizen in de vaarten werden gedempt, voorzover ze nog aanwezig waren, en vervangen door duikers. Een drietal bruggen werd overgedragen aan de gemeente Lemsterland.
Per 1 januari 1970 werd de veenpolder opgeheven en gingen de rechten, plichten, bezittingen en schulden over op het waterschap De Stellingwerven. Vóór 1970 werd al enige jaren nauw samengewerkt met een van de fusiepartners, de Groote Veenpolder in Weststellingwerf. Zo hadden de beide veenpolders een gezamenlijke secretaris en opzichter.
Terug
Archief en inventarisatie
Toen met de inventarisatie werd begonnen, had het archief een omvang van ca. 8 meter. Het was zeer onvolledig. Zo ontbraken veel begrotingen en rekeningen, evenals de gegevens over de vervening in het veenpoldergebied (slechts één slik- en armengeldkohier is bewaard gebleven) en vele archiefbescheiden over de polderwerken. Met name het verloren gaan van de gegevens over de vervening in de polder is erg jammer. Het is niet precies te achterhalen hoe de lacunes zijn ontstaan. Duidelijk is wel dat er van goed archiefbeheer geen sprake is geweest. Een deel van het archief is na de opheffing van de veenpolder blijven staan in het gemaal aan het Tjeukemeer, waar vroeger het veenpolderbestuur vergaderde. Vermoedelijk betrof het de oudere archiefbescheiden, die men voor de lopende zaken niet meer nodig had. Volgens een aantal betrokkenen is van dit materiaal een (groot?) deel vernietigd. Dit zou gebeurd zijn in een tweetal opruimacties, rond 1960 en rond 1973. De vernietiging gebeurde door niet ter zake deskundigen, en zeker bij de tweede opruiming, zonder betrokkenheid van de formele archiefbeheerder, de secretaris van het waterschap De Stellingwerven. Er zijn aanwijzingen dat men sommige stukken - bouwtekeningen e.d. - heeft verkocht. Wat er verder na deze "opruimingen" nog resteerde, werd in de jaren tachtig verenigd met het hoofdarchief, bestaande uit de notulen- en brievenboeken en de bescheiden betreffende lopende zaken. Dit archiefgedeelte was al vrij spoedig na de opheffing van de veenpolder naar de archiefbewaarplaats van waterschap De Stellingwerven overgebracht.
Een extra complicatie bij de inventarisatie vormde het feit, dat men sommige stukken betreffende lopende zaken na de opheffing opborg in het archief van het waterschap De Stellingwerven. Deze stukken zijn weer verenigd met de rest van het archief.
Het archief bestond oorspronkelijk uit een aantal series (notulen, kopieboeken van uitgaande brieven, ingekomen stukken, begrotingen, rekeningen en bijlagen enz.) en mappen waarin stukken betreffende bepaalde onderwerpen waren geborgen. Bij de inventarisatie werden de stukken gerubriceerd volgens het ook elders gebruikte archiefschema. Na inventarisatie en opschoning heeft het archief een omvang van 5 meter.
Het archief van het in 1954 bij de veenpolder ingelijfde waterschap De Kampen werd niet bij de stukken aangetroffen. Er zullen ook niet veel archiefbescheiden zijn geweest, omdat dit in 1930 opgerichte waterschap tot 1941 nog geen enkele activiteit had ontplooid.
Terug
Noten
1. Zie W.W. Wichers Wierdsma, Geschiedenis van het administratief toezicht op de lage verveeningen in Friesland, Leiden, 1885 (blz. 129).
2. Zie voor de reglementen van de veenpolder Provinciaal blad 1855 nrs. 23 en 24, 1860 nrs. 103 en 104, 1870 nrs. 130 en 131 (nieuw reglement), 1871 nr. 11, 1883 nr. 81, 1898 nr. 106 (nieuw reglement), 1902 nr. 16, 1921 nr. 68, 1922 nr. 21, 1923 nr. 33, 1925 nr. 20, 1928 nr. 96 (herdruk met wijzigin-gen), 1936 nr. 25, 1941 nr. 35, 1942 nr. 37, 194
401-411 Notulen van het bestuur, 1855 - 1949, 1959 - 1969. 9 delen en 2 omslagen.
401 1855 aug 25 - 1859 nov 17
402 1859 nov 17 - 1863 mei 20
403 1863 jul 11 - 1875 sep 1
404 1875 sep 1 - 1883 okt 24
405 1883 okt 24 - 1895 okt 25
406 1895 dec 17 - 1908 mei 11
407 1908 jul 31 - 1925 mrt 14
408 1925 mrt 31 - 1936 aug 12
409 1936 sep 2 - 1949 mrt 29
410 1959 mrt 23 - 1965 feb 26 omslag
411 1965 feb 25 - 1969 dec 11 omslag
412 Concepten van uitgaande brieven, 1855 - 1859, 1866, 1867. 1 omslag.
413-420 Kopieboeken van uitgaande brieven, 1855 - 1860, 1865 - 1936. 8 delen.
413 1855 aug 25 - 1860 feb 11
414 1865 jan 16 - 1871 mei 21
415 1871 mei 21 - 1882 jun 24
416 1882 jun 24 - 1894 mrt 11
417 1894 mrt 16 - 1904 jun 20
418 1904 jun 25 - 1910 mei 24
419 1910 aug 22 - 1926 okt 7
420 1926 okt 9 - 1936 jun 4
422 Stukken betreffende de viering van het 100-jarig bestaan van de veenpolder, 1954. 1 omslag.
423 Notulen van een vergadering van vertegenwoordigers van de provincie en van een aantal veenpolders betreffende samenvoeging van veenpolders/waterschappen, 1967. 1 stuk.
424 Stukken betreffende wijzigingen van het reglement van de veenpolder, 1897, 1898, 1953, 1957, 1969. 1 omslag.
425 Kaarten van het grondgebied, [20e eeuw]. 6 bladen.
N.B. Zie ook inv. nr. 645.
426 Staat van bestuursleden over de periode 1925 - 1968, z.d. 1 stuk.
427 Stukken betreffende de benoeming van J.A. de Jong te Oosterzee tot voorzitter, 1964. 2 stukken.
428 Akte van verkoop door jhr. Onno Reint van Andringa de Kempenaer te Leeuwarden aan de veenpolder van een boerderij met bijbehorend land te Oosterzee, 1832. 1 stuk.
429 Processen-verbaal van openbare verhuring aan diverse personen van percelen land en polderdijk, 1857, 1858. 2 stukken.
430 Akte van verhuring aan Wiebe F. Klijnsma en Trijntje A. Snijder van de aan de veenpolder behorende boerderij te Oosterzee, 1861. Met akte van borgtocht. 2 stukken.
431 Stukken betreffende verwerving, ruiling en afstand c.q. verkoop van gronden, 1863 - 1969; met hiaten. 1 omslag.
432 Staat van eigendommen van de veenpolder en van het fonds armengelden, [eerste kwart 20e eeuw]. Met latere aanvullingen, z.d. 1 deel.
433 Staat van eigendommen waaruit de veenpolder inkomsten geniet, [tweede helft 20e eeuw]. 1 stuk.
434 Stukken betreffende de verkoop aan Harmen de Jong Wzn. van de boerderij van de veenpolder te Oosterzee, 1959, 1960. 1 omslag.
435 Bouwtekening van een boerderij, [20e eeuw]. Lichtdruk. 1 blad.
N.B. Achterop staat met potlood geschreven: "Boerderij Echten".
436-440 Begrotingen, 1907 - 1969; met hiaten. 5 omslagen.
436 Algemeen, 1907, 1908, 1912 - 1917.
437 Armengelden, 1951, 1954 - 1957, 1959, 1960, 1962, 1963, 1967, 1968.
438 Waterkeringen, 1955 - 1958, 1960 - 1963.
439 Waterkeringen, 1965 - 1968.
440 Waterkeringen en Armengelden, 1969.
441-449 Rekeningen, 1872/1873 - 1969; met hiaten. 9 omslagen.
441 Algemeen, 1872/1873, 1877/1878, 1920, 1921.
442 Waterkeringen, 1935/1936 - 1939/1940.
443 Waterkeringen, 1940/1941 - 1946, 1948 - 1951.
444 Waterkeringen, 1953 - 1955, 1958, 1961, 1963.
445 Waterkeringen, 1964 - 1966.
446 Armengelden, 1935/1936 - 1937/1938, 1940/1941 - 1946.
447 Armengelden, 1948, 1950, 1951, 1953 - 1957, 1960, 1961, 1964 - 1966.
448 Waterkeringen en Armengelden, 1967 - 1969.
449 Nieuw aangelegde weg, 1935/1936 - 1937/1938, 1940/1941 - 1942, 1944 - 1949.
450-453 Bevelschriften tot betaling, 1858 - 1936; met hiaten. Met bijlagen. 4 omslagen.
450 1858, 1866/1867, 1868/1869, 1870 - 1874/1875
451 1880/1881, 1883/1884, 1908, 1909 - 1912
452 1913
453 1914 - 1919, 1921, 1922, 1924, 1925, 1936
454-539 Grootboeken van ontvangsten, 1855 - 1958. 86 delen.
454 1855 - 1857/1858
455 1858/1859
456 1859/1860 - 1861/1862
457 1862/1863 - 1864/1865
458 1865/1866 - 1867/1868
459 1868/1869 - 1871/1872
460 1872/1873 - 1876/1877
461 1877/1878 - 1879/1880
462 1880/1881
463 1881/1882
464 1882/1883
465 1883/1884
466 1884/1885
467 1885/1886
468 1886/1887
469 1887/1888
470 1888/1889
471 1889/1890
472 1890/1891
473 1891/1892
474 1892/1893
475 1893/1894
476 1894/1895
477 1895/1896
478 1896/1897
479 1897/1898
480 1898/1899
481 1899/1900
482 1900/1901
483 1901/1902
484 1902/1903
485 1903
486 1904
487 1905
488 1906
489 1907
490 1908
491 1909
492 1910
493 1911
494 1912
495 1913
496 1914
497 1915
498 1916
499 1917
500 1918
501 1919
502 1920
503 1921
504 1922
505 1923
506 1924
507 1925
508 1926
509 1927
510 1928
511 1929
512 1930
513 1931
514 1932
515 1933
516 1934
517 1935
518 1936
519 1937
520 1938
521 1939
522 1940
523 1941
524 1942
525 1943
526 1944
527 1945
528 1946
529 1948
530 1949, 1951
531 1950, 1951
532 1951
533 1952
534 1953
535 1954
536 1955
537 1956
538 1957
539 1958
540-625 Grootboeken van uitgaven, 1856 - 1958. 86 delen.
540 1856 - 1857/1858
541 1858/1859
542 1859/1860 - 1861/1862
543 1862/1863 - 1864/1865
544 1865/1866 - 1867/1868
545 1868/1869 - 1871/1872
546 1872/1873 - 1876/1877
547 1876/1877 - 1878/1879
548 1879/1880
549 1880/1881
550 1881/1882
551 1882/1883
552 1883/1884
553 1884/1885
554 1885/1886
555 1886/1887
556 1887/1888
557 1888/1889
558 1889/1890
559 1890/1891
560 1891/1892
561 1893/1894
562 1894/1895
563 1895/1896
564 1896/1897
565 1897/1898
566 1898/1899
567 1899/1900
568 1900/1901
569 1901/1902
570 1902/1903
571 1903
572 1904
573 1905
574 1906
575 1907
576 1908
577 1909
578 1910
579 1911
580 1912
581 1913
582 1914
583 1915
584 1916
585 1917
586 1918
587 1919
588 1920
589 1921
590 1922
591 1923
592 1924
593 1925
594 1926
595 1927
596 1928
597 1929
598 1930
599 1931
600 1932
601 1933
602 1934
603 1935
604 1936
605 1937
606 1938
607 1939
608 1940
609 1941
610 1942
611 1943
612 1944
613 1945
614 1946
615 1947
616 1948
617 1949, 1951
618 1950
619 1952
620 1953
621 1954
622 1955
623 1956
624 1957
625 1958
626-627 Kasboeken, 1889/1890 - 1894/1895. 2 delen.
626 1889/1890 - 1891/1892
627 1891/1892 - 1894/1895
628 Kohieren van slik- en armengelden, later alleen van slikgelden, 1868, 1911, 1943 - 1948, 1952. 1 omslag.
N.B. In 1925 werd de armengeldheffing afgeschaft.
629 Kohieren van het turfgeld, 1915, 1944 - 1948, 1952. 1 omslag.
630 Kohieren van het maalgeld en de algemene polderlast, 1935, 1944. 1 omslag.
631 Kohier van de algemene omslag, 1956. 1 katern.
N.B. Deze omslag werd in de jaren vijftig ingevoerd.
632 Stukken betreffende verbouwing, verzekering en verkoop van dienstwoningen (sluiswachterswoningen, opzichterswoning en woning bedienaar gemaal), 1863, 1876, 1912, 1919, 1937, 1960, 1962. 1 omslag.
633-637 Registers van opslaggelden, 1912 - 1915, 1917, 1918, 1935, 1946, 1948, 1951. 5 omslagen.
N.B. De veenpolder exploiteerde ten behoeve van de ingelanden enkele opslagplaatsen bij bruggen e.d.
633 Opslagplaats bij de Gietersche Vaart, 1946, 1951.
634 Opslagplaatsen bij de Middenvaart en Gietersche Vaart, 1913 - 1918.
635 Opslagplaats bij de Middenvaart, 1935, 1946, 1951.
636 Opslagplaats bij de Echtenerbrug, 1912, 1914, 1917, 1918, 1948, 1951.
637 Opslagplaats bij de Oostelijke Vaart, 1917, 1918, 1935, 1951.
638 Stukken betreffende benoeming en ontslag van personeelsleden, 1856, 1858, 1860, 1861, 1863, 1962, 1968, 1969. 1 omslag.
639 Instructies voor de opzichter-meter en de werkman-bedienaar van de gemalen, z.d. 2 stukken.
640 Legger voor de heffing van de polderlast, 1885. Met index op namen van belastingplichtigen. 1 deel.
641 Algemene legger van belastingplichtigheid, 1923 - [ca. 1935]. Met index op namen van belastingplichtigen. 1 deel.
642 Rapport van "gaarder" S. Veldhuis betreffende de handhaving van de politieverordening bij het lossen van goederen ter hoogte van de Echterbrug, 1904. 1 stuk.
643 Politieverordening, 1963. 1 katern.
644 Stukken betreffende de verlening aan de gemeente Lemsterland, aan de P.T.T., aan de Coöperatieve Zuivelindustrie N.O.V.A.C. te Munnekeburen, aan de vereniging "Plaatselijk Belang" te Ooster-zee, aan het Provinciaal Electriciteitsbedrijf, aan de N.V. Intercommunale Waterleiding Gebied Leeuwarden en aan diverse particulieren van vergunningen, 1951 - 1969; met hiaten. 1 omslag.
645 Situatiekaart behorende bij het plan tot onteigening van de ten behoeve van de bedijking en inpoldering van de veenpolder benodigde gronden, 1857. 1 blad.
646 Begrotingen en bestekken betreffende onderhoudswerken, 1857, 1886/1887, 1888, 1894/1895, 1906. 1 omslag.
647 Stukken betreffende de "particuliere" droogmaking door Jacob A. Kluitenberg te Echten van ca. 30 ha land in de veenpolder, 1874, 1875. 1 omslag.
648 Besluit om over te gaan tot algehele droogmaking van de veenpolder, 1877. Met bezwaarschriften, ingekomen naar aanleiding van het ter inzage leggen van de droogmakingsplannen, 1877. 1 omslag.
649 Staat van werken, 1949. Met wijzigingen, 1950 - ca. 1960. Met een kaart van het grondgebied waarop de ligging van de werken is ingetekend. 1 deel en 1 blad.
650 Akte van overeenkomst met de Staat der Nederlanden (Dienst van de Zuiderzeewerken) betreffende het treffen van voorzieningen ter bestrijding van verdroging in verband met de aanleg van de Noordoostpolder, 1951. Met bijlagen. 1 omslag.
651 Stukken betreffende de toewijzing in het kader van de ruilverkaveling "de Kampen" van openbare wegen en waterlopen met daarbij behorende kunstwerken, 1953. 1 omslag.
652 Stukken betreffende wijzigingen van de staat van onderhoudswerken, 1957 - 1959, 1963, 1965, 1966. 1 omslag.
653 Stukken betreffende de uitvoering van een plan tot verbetering van de waterbeheersing in de veenpolder, 1959 - 1962. 1 omslag.
654 Brief met voorstel van de opzichter om het stoomgemaal in verband met de hoge waterstanden een tweetal weken door te laten malen, 1867. Met op de achterzijde een aantal adviezen van leden van het polderbestuur betreffende het voorstel. 1 stuk.
655 Polissen van brandverzekeringen betreffende de poldermolens, 1880, 1882, 1885, 1889. 1 omslag.
656 Akte van verkoop door de gezamenlijke eigenaren aan de veenpolder van een molen met bijbehorende molenaarswoning in de Kamperpolder onder Oosterzee, 1881. 1 stuk.
657 Akte van verkoop door Harmen R. Akkerman te Oosterzee aan de veenpolder van een perceel grond, 1881. 1 stuk.
N.B. Het betrof de ondergrond van een poldermolen. Zie inv. nr. 404.
658 Staten betreffende de werking van het stoomgemaal, 1882, 1887. 1 omslag.
659 Polissen van brandverzekeringen betreffende het stoomgemaal, 1902, 1919, 1927. Met wijziging, 1947. 3 stukken.
660 Bestek voor het verven van een drietal windwatermolens, 1904. 1 stuk.
660a Tekening stoomgemaal, 1913. 1 blad.
661 Technische tekeningen betreffende de elektrische installatie in het gemaal, 1925 en z.d. 2 bladen.
662 Rapport, mogelijk van de opzichter, betreffende een mogelijke aansluiting van het gebied van de aangrenzende Veenpolder Delfstrahuizen op de bemaling van de veenpolder, [eerste kwart 20e eeuw]. 1 stuk.
663 Bouwtekeningen van het tweede gemaal aan het Tjeukemeer, 1948, 1949, 1950, 1957. 8 bladen.
664 Verzoekschrift aan gedeputeerde staten tot goedkeuring van besluiten tot het stichten van een gemaaltje, het wijzigen van de waterafvoer van de bovengronden en het afvoeren van enkele werken van de staat van werken, 1957. Minuut. 1 stuk.
665 Akten van verkoop door diverse personen aan de veenpolder van de Westelijke- of Gietersche Turfvaart, de Oostelijke Turfvaart, de Middenvaart met een daarin uitkomende dwarssloot, de Kleine Vaart, een aantal bruggen, hoopsteden en een turfschuur, 1857, 1860. Met retroacta, 1841, 1844, 1852 en 1853. 1 omslag.
666 Stukken betreffende de aankoop van gronden ten behoeve van het graven c.q. verwijden van vaarten, 1860, 1863, 1875, 1876. 1 omslag.
667 Akte van overeenkomst met eigenaren van landerijen gelegen onder Oosterzee ten oosten van de Westelijke- of Gietersche Turfvaart tot het maken van een verbinding tussen een "oude turfvaart" en de bovengenoemde Gietersche Turfvaart, 1875. Concept. 1 stuk.
668 Stukken betreffende de overdracht van delen van de ringvaart, de Middenvaart en een - te dempen - deel van de Gieterse Vaart aan de gemeente Lemsterland c.q. de Coöperatieve Zuivelindustrie "Novac" te Emmeloord, 1957, 1961, 1962, 1965, 1969. 1 omslag.
669 Stukken betreffende de uitvoering van werken ter bescherming van de oever van de Pier Christiaansloot, 1959, 1960, 1962, 1964, 1965. 1 omslag.
670 Circulaire door de voorzitter van het polderbestuur aan zijn mede-bestuursleden, betreffende de afmetingen van de aan te leggen sluizen, 1855. Met opmerkingen van de mede-bestuursleden. 1 stuk.
671 Stukken betreffende een geschil met vervener J.H. Kemme te Nijega over de sluiting van de schutsluizen voor het vervoer van zijn turf, 1891 - 1893. 1 omslag.
N.B. De veenpolder had zich bij de overname van de Oostelijke Turfvaart contractueel verplicht de sluizen in de veenpolder te sluiten voor verveners enz. die zouden weigeren het uitvaartgeld (het recht tot heffing ervan was in particuliere hand gebleven) te betalen. Zie ook inv. nr. 671.
672 Staten van ontvangen schutgelden, 1914, 1915. 1 omslag.
673 Minuut van een brief aan gedeputeerde staten betreffende de heffing van sluisrechten, [1933]. 1 stuk.
674 Technische tekening betreffende de vervanging van de sluis in de Middenvaart door een aantal duikers, 1948. Lichtdruk. 2 bladen.
675 Technische tekening betreffende een vernieuwing van de sluis in de Gieterse Vaart, [20e eeuw]. Lichtdruk. 1 blad.
676 Akte van verkoop door de erven van jhr. Antoon Anne van Andringa de Kempenaer aan de veenpolder van een perceel grond op en aan de Echtenerdijk, 1832. 1 stuk.
677 Akte van verkoop door Zwaantje F. Brouwer aan de veenpolder van een perceel grond "de Batten" genoemd, gelegen op de Schoter-Uiterdijken, 1832. 1 stuk.
678 Akte van verkoop door Harmen V. Pen en Luitien V. Pen te Echten aan de veenpolder van een gedeelte polderdijk bij de Zwarte Dijk onder Echten, 1846. 1 stuk.
679-683 Stukken betreffende de aanleg van de polderdijken, 1855 - 1858 en z.d. 4 omslagen en 1 katern.
679 Stukken betreffende de verwerving van de gronden benodigd voor de aanleg van de polderdijk aan de oostzijde van de veenpolder, 1855, 1856.
680 Stukken betreffende de aanleg van de polderdijk aan de westzijde van de veenpolder, 1856 en z.d.
681 Bestek betreffende het leggen van een polderkade, het leggen van een gedeelte polderdijk over een complex landerijen "de Batte" genaamd, het leggen van een dam in de Kooisloot en het maken van twee percelen beschoeiingswerken bij de schutsluizen in de Middenvaart en in de Westelijke- of Gietersche Vaart, 1857. katern.
682 Stukken betreffende de verwerving van gronden benodigd voor de aanleg van de zuidelijke polderdijk, de sluis in de Oostelijke Turfvaart en de reed ernaartoe, 1857.
683 Stukken betreffende de verwerving van de gronden benodigd voor de aanleg van de noordelijke polderdijk, 1858.
684 Akte waarbij de veenpolder door eigenaren van landerijen in het poldergebied wordt gemachtigd tot het maken van kaden langs watergangen en het leggen van duikers daarin, 1878. 1 stuk.
685 Stukken betreffende de overdracht aan de gemeente Lemsterland van het tussen de weg Oosterzee-Echten en de Otterweg gelegen gedeelte veenpolderdijk, 1951 - 1954, 1959, 1961, 1962. 1 omslag.
686 Bestekken, tevens akten van aanbesteding betreffende de bouw van een nieuwe ophaalbrug over de "westelijke hoofdvaart" (de Westelijke- of Gietersche Vaart) en het maken van een nieuwe "val" aan de ophaalbrug over de "midden hoofdvaart" (de Middenvaart), 1858. 1 omslag.
687 Proces-verbaal van aanbesteding betreffende de bouw van een brug over het toevoerkanaal naar het stoomgemaal en de aanleg c.q. verbetering van een aantal walbeschoeiingen, 1860. 1 stuk.
688 Stukken betreffende de overdracht aan de gemeente Lemsterland van de bruggen over de Gieterse Vaart, de Middenvaart en de Oostelijke Vaart, 1955. 2 stukken.
689 Akte van overeenkomst met Roelof H. Rietveld te Echten, waarbij de veenpolder het recht verkrijgt een duiker te leggen ter verbinding van de Middenvaart met de ringsloot lopende naar het stoomgemaal, 1861. 1 stuk.
690 Stukken betreffende de aanleg van wegen, 1899, 1902, 1900 - 1902, 1925. 1 omslag.
691 Register van opmeting van de gespreide klijn of slik, 1868. 1 katern.
692 Register van aangifte van vervening, 1909. 1 katern.
693 Stukken betreffende de betrokkenheid van de veenpolder bij de ruilverkaveling "Buitenpolder-Zeven Grietenijen", 1968. 1 omslag.
694 Akte van verkoop door Geeske W. Muurling te Oosterzee aan Evert J. Schreur te Echten van het recht tot ontvangst van de uitvaartsgelden van de Westelijke- of zogenaamde Gietersche Turfvaart, 1867. 1 stuk.
N.B. Zie inv. nr. 671.
695 Bouwtekening van de "werkmanswoning voor Hinne de Vries", 1908. 1 blad.
696 Kopie van een artikel betreffende de veenpolder in het Nieuwsblad van Friesland van zaterdag 20 maart 1915. 1 stuk.